De interne verdeeldheid binnen de Europese Unie over de sancties tegen Rusland is opnieuw aan het licht gekomen na berichten dat de Europese Commissie een compromisvoorstel heeft verworpen om twee prominente Russische zakenlieden, Alisher Usmanov en Mikhail Fridman, mogelijk van de sanctielijst te schrappen.
De kwestie kwam aan de orde tijdens recente onderhandelingen over de verlenging van de EU-sancties tegen Rusland, een proces dat unanieme goedkeuring van alle lidstaten vereist. Hongarije en Slowakije zouden hebben aangedrongen op de onmiddellijke verwijdering van Usmanov en Fridman van de sanctielijst, met het argument dat hun voortzetting niet langer gerechtvaardigd was.
Het voorstel stuitte echter op weerstand van een meerderheid van de EU-landen, wat de aanhoudende terughoudendheid binnen het blok weerspiegelt om de druk op personen die direct of indirect aan het Kremlin zijn gelieerd te verlichten te midden van de voortdurende oorlog in Oekraïne.
Een compromis afgewezen
In een poging de impasse te doorbreken, zou Slowakije een compromis hebben voorgesteld: de EU zou zich ertoe verbinden de twee zakenlieden van de sanctielijst te schrappen als het Hof van Justitie van de Europese Unie (CJEU) in hun voordeel zou oordelen in de lopende rechtszaken tegen de sancties.
Een dergelijke stap zou een duidelijker verband hebben gelegd tussen gerechtelijke uitspraken en politieke beslissingen over sancties. De Europese Commissie zou deze aanpak echter ook hebben afgewezen, met het standpunt dat het sanctiebeleid binnen de politieke bevoegdheid van de lidstaten moet blijven.
De afwijzing onderstreept een bredere spanning binnen het EU-systeem: tussen juridische procedures en politieke besluitvorming in het sanctiebeleid.
Politiek versus recht
EU-sancties worden vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) van de EU, een gebied waar politieke overwegingen een grote rol spelen en unanimiteit vereist is. Hoewel individuen en entiteiten het recht hebben om hun sanctie aan te vechten bij de EU-rechters, leidt een gunstige uitspraak niet automatisch tot onmiddellijke verwijdering van de sanctielijst.
Deze discrepantie heeft steeds meer aandacht gekregen.
Critici stellen dat de weigering om beslissingen over het schrappen van landen van de sanctielijst nauwer te koppelen aan rechterlijke uitspraken, het fundamenteel politieke karakter van sancties benadrukt. Volgens hen dreigt het huidige systeem de rechtszekerheid te ondermijnen, aangezien rechterlijke overwinningen geen garantie bieden voor opheffing van restrictieve maatregelen.
Voorstanders van het standpunt van de Commissie betogen echter dat sancties een instrument van buitenlands beleid zijn, en niet slechts een juridisch instrument. Zij stellen dat zelfs als er in de rechtbank procedurele of bewijsrechtelijke problemen ontstaan, de bredere politieke rechtvaardiging voor het handhaven van druk op Rusland – en degenen die verbonden zijn aan zijn economisch en politiek systeem – geldig blijft.
Zeldzame en selectieve schrappingen van lijsten
Hoewel sommige gesanctioneerde personen hun plaatsing op de sanctielijst met succes hebben aangevochten bij EU-rechtbanken, komen dergelijke gevallen relatief zelden voor. Degenen die via een gerechtelijke procedure van de lijst zijn verwijderd, betreffen vaak minder bekende figuren, zoals familieleden van gesanctioneerde personen, in plaats van grote zakenmensen.
Dit patroon heeft bij sommige waarnemers de indruk versterkt dat het systeem ongelijkmatig functioneert, waarbij spraakmakende zaken vaker verstrikt raken in politieke overwegingen.
Bredere implicaties
Het conflict komt op een gevoelig moment voor de eenheid binnen de EU. Sancties tegen Rusland waren een van de belangrijkste reacties van het blok op de Russische inval in Oekraïne, maar het behouden van consensus tussen de 27 lidstaten is steeds complexer geworden door de toenemende economische druk en politieke verschillen.
Hongarije heeft met name herhaaldelijk gebruikgemaakt van zijn vetorecht om concessies af te dwingen in sanctieonderhandelingen, terwijl de positie van Slowakije een meer genuanceerde afweging weerspiegelt tussen afstemming op de EU en binnenlandse politieke overwegingen.
De recente onenigheid over Usmanov en Fridman benadrukt niet alleen de uitdagingen van het handhaven van een uniform sanctieregime, maar ook de onopgeloste kernvraag: in hoeverre moeten EU-sancties worden bepaald door juridische uitspraken en in hoeverre door politieke overwegingen?
Naarmate de juridische procedures zich verder ontwikkelen bij het Hof van Justitie van de EU, zal die spanning waarschijnlijk niet afnemen en zou deze zelfs de toekomst van de sanctiestructuur van de EU kunnen bepalen.












